Diversiteit in dialoog
Een studiemiddag over dansdramaturgie
(verslag in opdracht van VDO en BIT)
Het was volgens voorzitter Liesbeth Wildschut alweer tien jaar geleden dat de Vereniging voor Dansonderzoek (VDO) haar jaarlijkse studiedag wijdde aan de dansdramaturgie. Zodoende werd het hoog tijd voor een update. De VDO koos ervoor een nieuwe generatie dansdramaturgen aan het woord te laten. Deze ‘BITters’ zorgden voor een dynamische middag.
In november 2009 organiseerde Danswerkplaats Amsterdam (DWA) al een uitgebreide studiedag rondom dansdramaturgie. Uit deze drukbezochte dag bleek dat dit thema de gemoederen in het dansveld momenteel flink bezighoudt. Ook werd duidelijk dat men na één dag nog lang niet was uitgepraat. In overleg met DWA werd daarom besloten dat de VDO een follow-up zou organiseren.
De Vereniging voor Dansonderzoek nodigde vervolgens de leden van BIT uit om zichzelf voor het eerst als collectief aan vakgenoten te presenteren. BIT is hèt Utrechtse platform voor startende dansdramaturgen. Deze groep, bestaande uit vijf vrouwen en één man, werd zo verantwoordelijk voor de invulling van de middag. Zij lieten op een frisse manier van zich horen.
(Download het volledige verslag Verslag_vdo_symposium.pdf of lees verder op de website.)
Diversity in dialogue
A study day about dance dramaturgy
According to Chairwoman Liesbeth Wildschut it was already ten years ago that the Vereniging voor Dansonderzoek (VDO) devoted her annual study day to dance dramaturgy. It was therefore time for an update. VDO chose to give the floor to a new generation of dance dramaturges. These ‘BITters’ arranged a dynamic afternoon.
Download the complete report here: Diversity in dialogue or continue reading in Dutch.
BIT trad aan met een (mid)dagindeling die tot doel had alle aanwezigen uit te dagen actief deel te nemen aan de te voeren discussie. De gespreksleiding lag hierbij in handen van Bart van Rosmalen. Op een ontspannen en prettige manier nam hij het voortouw in de dialoog die choreografen, (dans)dramaturgen, studenten en andere geïnteresseerden twee uur lang met elkaar voerden.
De studiemiddag, bestaande uit vier onderdelen, begon met een warming-up. Het publiek werd uitgedaagd om zich uit te spreken over acht stellingen. Door op te staan of door te blijven zitten konden de aanwezigen laten weten het wel of niet eens te zijn met de gepresenteerde uitspraken.
Het bleek voor het publiek echter lastig zich te schikken naar simpele termen als juist of onjuist. Dit kwam onder andere naar voren uit het feit dat er door de aanwezigen, in de toelichtingen op hun stellingnames, direct gereflecteerd werd op de –enigszins rigide – formuleringen van de stellingen.
Het doel van BIT bleek echter niet de dansdramaturgie te definiëren of te versimpelen. In plaats daarvan werd er de rest van de middag juist geprobeerd een beeld te schetsen van de diversiteit in de manieren waarop dansdramaturgie op dit moment beschouwd en beoefend wordt.
Over het algemeen slaagden de BIT-leden hier goed in. In deel twee van de middag kregen zij ieder één minuut de tijd om hun persoonlijke visies op dansdramaturgie uiteen te zetten. Hieruit bleek dat ook binnen dit collectief de opinies over de functie van een dansdramaturg op sommige vlakken nogal uiteen lopen. Zo verschilden zij van mening wat betreft de vraag of een dansdramaturg tevens co-maker is en werd ook de inbreng van een theoretisch perspectief in een maakproces door de leden anders gewaardeerd.
In deel drie kreeg het publiek de kans om op kleinere schaal met elkaar in gesprek te gaan. De gesprekken werden gevoerd aan de hand van drie vragen die door BIT aan het publiek werden voorgelegd. Iedereen werd verzocht op het toneel te gaan staan, in het vak behorende bij één van de drie vragen.
De vragen waren gericht op de rol van een dramaturg in de verschillende fases van een maakproces, de mate waarin een dansdramaturg op een creatieve manier kan bijdragen aan het maakproces van een choreograaf en het belang van het inbrengen van een theoretisch perspectief binnen een maakproces.
Na afloop werden de ‘resultaten’ uit iedere groep kort naar iedereen teruggekoppeld door gespreksleider Bart. Uit deze terugkoppeling bleek dat de groepsdiscussies niet zozeer antwoorden hadden gegenereerd, maar juist hadden gezorgd voor een uitwisseling van uiteenlopende gedachten en perspectieven. Dit sloot goed aan bij de wens van BIT om de diversiteit in de dansdramaturgie naar voren te brengen.
Gedurende deze terugkoppeling werd echter ook duidelijk wat er in deel twee en deel drie van deze middag het meest gemist werd door het publiek. Er werd door verschillende aanwezigen duidelijk gemaakt dat er veel mensen zijn die in een maakproces de rol van dramaturg kunnen vervullen en dat er ook vele mensen zijn die deze rol in de praktijk hebben leren vervullen, zoals de dansers, de componist of de scenograaf die bij een proces betrokken zijn.
Al met al leek dit een van de weinige punten waarop de ‘BITters’ gedurende de middag iets hadden laten liggen. Zij hadden wellicht nog explicieter kunnen maken dat zij als collectief dezelfde theoretische achtergrond delen. Dit specifieke theoretische perspectief werd niet expliciet vergeleken met het perspectief van dramaturgen met een opleiding in de praktijk, of andere spelers in het maakproces die de dramaturgenrol vervullen. Een uitdieping van dit deelonderwerp had de discussie nog rijker kunnen maken.
Het was daarom extra fijn dat alle gedachten en overwegingen van die middag in het laatste programmaonderdeel samenkwamen in twee voorbeelden uit de praktijk. Dit gebeurde door tijd te maken voor een presentatie van twee vormen van samenwerkingen tussen een choreograaf en een dramaturg.
Het eerste duo dat kwam vertellen over hun samenwerking werd gevormd door de Israëlische choreograaf Mor Shani en zijn dansdramaturg Anne Marije van den Bersselaar. Zij gingen in op de stappen die zij samen maken gedurende een maakproces. Tevens gaven zij te kennen welke verantwoordelijkheden zij ieder binnen een maakproces dragen.
De tweede werkvorm die onder de loep werd genomen was de samenwerking tussen dansmaker Jack Gallagher en zijn dramaturgen Diane Elshout en Jochem Naafs. Zij voerden een geheel andere dialoog, aangezien zij gedurende hun samenwerking niet zozeer gericht waren op het maken van een voorstelling, maar op het doen van onderzoek.
In deze laatste twee gesprekken werd persoonlijk en tastbaar wat dansdramaturgie inhoudt. Het werd duidelijk dat de dansdramaturgie zich vooral op dit persoonlijke, procesgebonden niveau verder ontwikkeld, door de manier waarop dansdramaturg en maker invulling geven aan hun gedeelde dramaturgische dialoog. Dit is het niveau waarop nieuwe samenwerkingsvormen worden ontdekt, dit is waar unieke communicatievormen en gedachten tot stand komen en dit is waar dansdramaturgie haar diverse karakter aan ontleend.
Stoppen op het hoogtepunt was dus het devies, toen er na deze gesprekken een einde kwam aan een dynamische middag, waarin het openen van het gesprek over dansdramaturgie belangrijker bleek dan het geven van antwoorden. Twee uur blijft echter altijd te kort om een divers onderwerp als dansdramaturgie geheel uit te diepen. Dat verklaart meteen de lange nazit in de foyer van Studio T. De BIT-leden verdienen daarom een pluim voor de manier waarop zij deze studiemiddag binnen een beperkte tijd gestructureerd, doch levendig vorm hebben weten te geven.
Betreft:
Verslag van de studiemiddag dansdramaturgie van de Vereniging voor Dansonderzoek
Datum: Dinsdag 19 januari
Tijd: 16.00 uur – 18.00 uur
Locatie: Universiteitstheater Studio T te Utrecht
